Een ieder maakt tijdens zijn werk wel eens dingen mee die hij of zij niet snel zal vergeten. Leuke spontane dingen, verdrietige dingen, maar ook emoties zijn herinneringen die voor sommigen een deel van hun leven gaan beheersen. Dat hoeft niet altijd in het negatieve te zijn, er zijn ook herinneringen die je soms terug brengen in een tijd waarbij het je doet denken aan iets waarvan je nu nog in de lach schiet.

Indien je werkt in de uitvaart, dan weet je als geen ander dat jouw vak vaak een gespreksstof kan worden op feesten en partijen. Nou probeer ik dit soort bijeenkomsten zo veel mogelijk te vermijden, maar ook voor mij geldt dat ik op dergelijke bijeenkomsten gevraagd wordt naar verhalen uit de praktijk. Het lastige is dat mijn twinkelende blauwe ogen –nog voordat ik iets heb gezegd- al verraden dat het best fijn is om over mijn werk te praten.

In de groep zit er altijd wel een aangeschoten sukkel bij die begint over het breken van botten, lijken die rechtop gaan zitten, of iemand die zegt dat opa nog zuchtte terwijl iedereen in de kamer afscheid aan het nemen was. Bij deze mensen zit ik het liefst zo ver mogelijk vandaan.

Een heel enkele keer maak je wel eens dingen mee die iets minder subtiel zijn. Vaak onbedoeld, niet over nagedacht of zo maar uit het niets op je pad terecht zijn gekomen. Het ene moment geeft het je bij het zien verdriet of woede, bij het andere schater ik het uit.

Onlangs kwam ik in een ziekenhuis om een overleden te halen. Er was een opgezette buik geconstateerd door de familie en in overleg met de uitvaart onderneming was al besloten om dit probleem te laten verhelpen. Het contact verliep soepel en positief en binnen een uur kon ik al ter plekke zijn om het probleem op te lossen.

Aangezien het onbemande mortuarium afgesloten zit, loop ik via de lange gang richting de receptie om een sleutel te halen. Een beetje slingerend tussen de containers met vuile was, schone bedden en elektrische scooter. In vele gevallen ligt de route naar het mortuarium via de keuken van het ziekenhuis en kijk of er nog wat bekende mensen aanwezig zijn die ik wuivend met mijn hand een fijne dag kan wensen. Keuken personeel die me iets langer kent, weet dat ik hiermee bedoel dat een toetje er bij mij altijd wel in gaat.

Aangekomen (niet van het toetje) bij de receptie zit een bekende jongeman. We babbelen wat, lachen wat en drinken nog snel een kop koffie samen. Teruglopend richting het mortuarium, probeer ik in een bos chaos alvast de juiste sleutel van de deur te vinden. Er zitten plakkers op deze sleutels, maar de tekst is al jaren niet leesbaar. Een mooie puzzel op mijn oude dag.

Eerst een klein nutteloos halletje met daarachter de verzorgingsruimte, 2 grote koelcel deuren en een wasbak. Ja, hier moet ik zijn. Op zoek naar de juiste patiënt kijk ik op de koelcel, speurend naar gegevens van een eventuele patiënt. Geen stickers op de twee grote deuren doen me twijfelen of de patiënt al naar beneden is gebracht of nog op de afdeling zou liggen.

De grote zware hoog-laag tafel trek ik iets aan de kant en open met handschoenen de linker deur van de koelruimte. Een lichaam -afgedekt in een vervuild laken- geeft de bevestiging dat er in elk geval een overledene in de koelcel aanwezig is. Voorzichtig probeer ik met de lompe tafel de overledene uit de koeling te halen. Uiterst voorzichtig, want ik weet dat de mortuarium medewerker zich mateloos stoort aan de beschadigingen rondom de koeling.

Subtiel en zonder problemen rolt de overledene uit de koeling. Meestal bevind zich op het laken wel een sticker met de gegevens van de overledene. Helaas…  Gebruikelijk is ook wel om een teenkaart te gebruiken, een polsbandje, of een sticker op het been. Beginnend bij het voeteneind haal ik het laken los, van de benen tot aan de hals. ‘Wat raar’ mompel ik in mezelf, ‘is er nou echt geen identificatie aangebracht’?

Ik besluit het laken volledig te open en zie tot mijn stomme verbazing dat de overledene volledig naakt, zonder incontinentie materiaal en –volledig respectloos- met een naam sticker op het voorhoofd op de koelplaat ligt. Onvoorstelbaar hoe mijn positieve energie, vanaf het toetje uit de keuken tot aan de koffie bij de receptie, binnen 1 seconde weg gevaagd kan worden.

Hoe zou de familie hebben gereageerd bij het zien van hun dierbare. Ik bedoel…. Soms kom je ergens waarbij de familie besluit om mee te gaan naar het mortuarium. Maar dat is dan even een raar beeld om iemand zo te zien liggen, toch? Het schaamrood stond bij mij in ieder tot aan mijn liezen. Ik kan me slecht verplaatsen in diegene die de overledene zo heeft weg gelegd. Was dit bedoeld als grap, of heeft deze persoon even een moment gehad waarbij die niet zo goed kon nadenken?

Het voorbeeld van hierboven komt gelukkig zelden voor, maar het is wel een voorbeeld waarbij ik me zeer oncomfortabel voel. Maar er zijn ook leuke momenten te noemen. Nooit meer zal ik vergeten dat er midden in de nacht een melding komt van overlijden in een verzorgingstehuis. Onderweg samen met mijn collega in een oude Chevrolet, een wagen met dat prachtige ronkende motor geluid van een 5,8 liter V8. Geweldig!

De kamer waarin de overledene zich bevond was een ruime woonkamer, gedeeld met een mede bewoner en 2 aparte slaap kamers. Door onze stoere verhalen hadden we wel de brancard mee genomen, maar waren we onze verzorgingskoffer vergeten mee te nemen vanuit de wagen. ‘Jij bent de jongste’ zegt mijn compagnon, ‘jij wilt vast wel de koffer uit de auto halen’. Zonder enige twijfel loop ik terug naar de wagen, pak de zwarte koffer en loop terug naar de kamer waarin de overledene zich bevond. Tenminste….., dat dacht ik.

Geen enkele seconde had ik gekeken naar het kamernummer en elke deur ziet er warempel het zelfde uit. Nou ben ik niet de domste en had de deur niet in het slot gedaan, zodat ik in elk geval zonder aan te bellen weer naar binnen zou kunnen. Zoekend naar een open deur kom ik inderdaad terug op de kamer. Er brand wat licht, zie de overledene op het bed, maar waar is mijn compagnon?

De koffer zet ik op een tafel, doe de handschoenen vast aan en met een wit schort voor mijn zwart pak wacht ik op mijn collega. Toch is er in mijn hoofd een stemmetje die het niet helemaal met me eens is. Zonder verder nog te twijfelen buig ik me over de overledene en druk ik op de alarmbel. ‘Mevrouw, waarmee kan ik u helpen’ vraagt een vriendelijke damesstem vanuit het intercom systeem. Het geluid is zo hard, dat de overledene er wakker van werd. Toen pas realiseerde ik me dat ik helemaal niet in de juiste kamer stond, maar dat bij toeval deze deur niet was afgesloten en ik naast een nog levende bewoner in mijn beschermende kleding stond te wachten op mijn compagnon.

Soms komen dingen gewoon op je pad, deze keer letterlijk en figuurlijk. Beginnend aan mijn nacht dienst belt een –inmiddels ex collega- vanuit de auto naar me toe. Er is vaak zo veel te bespreken na een lange dienst, dat het aangenaam kan zijn ook nog wat vrolijke gesprekken te voeren. Omdat het de eerste warme dag van het jaar is, babbelen we wat over vogels, de zon en de schitterende dagen die in aantocht zijn.

Tijdens haar rit naar huis merk ik dat de manier van praten iets veranderd. Je kunt soms horen aan een stem dat er –zonder er zelf bij te zijn- iets aan de hand is. Er valt een kleine stilte en benieuwd waarom ze niks meer tegen me zegt, roep ik haar naam door de telefoon.

‘Klein momentje hoor, ik zie al zo slecht in de nacht, maar er zijn allemaal blauwe zwaailampen in de verte. Ik moet me even concentreren op de weg. Er is hier vast iets gebeurd, maar ik zie alleen maar een leren jas op de weg liggen, het lijkt een motor jas’.

Ongeveer 2 uur later krijg ik een melding op mijn telefoon. De politie komt met een verkeersslachtoffer mijn kant op. De vervoerder van het stoffelijk overschot tilt met zijn collega een draagbare kunststof lijkkist naar binnen. Aan de gespannen gezichten en de manier van lopen is duidelijk te zien dat het behoorlijk wat inspanning vraagt.

Bij het openen van de kist, tilt de vervoerder lichaamsdelen op de onderzoeks tafel. Er is niet zo veel meer van over en krijg het vermoeden dat het hier gaat om een ongeval van een persoon met een trein. Eerst twee losse benen, daarna een hoofd en vervolgens twee losse armen. ‘Help je even mee Edwin’ roept de vervoerder. ‘Pak jij deze kant’?

Ik knipper nog eens met mijn ogen, ze zien de twijfel, maar tegelijkertijd verraden mijn pretogen dat er iets aan de hand is. Alles wat er nog in de kist te vinden was, is een grote leren jas, een motor jas…. ‘Nachtblind’ riep ik. De politie kijkt me verbaasd aan en vragen in koor ‘nachtblind’? Ze begrepen er niets van, maar zelf begreep ik dat de jas die mijn collega op de snelweg had zien liggen de romp van dit slachtoffer moet zijn geweest. 

Terug denkend aan het telefoon gesprek, pakten we met respect het lichaam op om deze voorzichtig op de tafel te leggen, maar ik moet eerlijk bekennen dat er toch stiekem een glimlach op mijn gezicht stond af te lezen.

Edwin Spieard

1 - Waarom ben je niet altijd positief als we een aanvraag thanatopraxie bij je neer leggen?

Het klopt dat ik daar niet altijd positief over kan zijn. Nabestaanden en ondernemers lezen vaak alleen het positieve, ze vergeten voor het gemak de risico’s die er zijn. De verwachting is vaak veel te hoog. Wat me stoort aan thanatopraxie, is dat de uitvaartleider vaak de volledige verantwoordelijkheid legt bij de Thanatopracteur tijdens de opbaring. Ik ben echt van mening dat tijdens een opbaring, of dit nou gekoeld, of middels thanatopraxie gaat plaats vinden, de uitvaartonderneming mede verantwoordelijk is voor het stukje nazorg en kennis hoort te hebben van het product wat er is verkocht. De kennis van thanatopraxie ligt bij vele aanbieders ver beneden de maat.

2 - Hoe sta jij tegenover de Bio Sac 200?

Ik kan daar werkelijk geen mening over geven. Het is ook niet reëel om daar door mij een uitspraak over te doen. Daar waar ik kom zijn er problemen, ook bij mensen die gekoeld zijn opgebaard. Denk aan opgezwollen buiken, enorme lekkages, verminking, groene verkleuring of stank. Lichamen die versnelt in ontbinding zijn geraakt, zijn mijn grootste uitdaging. Alle mogelijke manieren van opbaren kunnen problemen geven. Gekoeld, na thanatopraxie en ook bij gebruik van de Bio sac 200, zal de natuur voor ons bepalen hoe het verdere verloop van de opbaring zal gaan.

3 – Ken jij die bacteriën dodende spray die ze gebruiken tijdens verzorgen van een overledene

Ja, maar werk er zelf niet mee. Hier en daar hoor ik er iets over, maar zie dat ook deze patiënten nog gewoon een groene verkleuring in het gelaat oplopen en net als andere patiënten in ontbinding raken. Ontbinding begint binnenuit het lichaam en verwacht niet dat in sprayen van een lichaam bij draagt aan een probleemloze opbaring. Het is goed om de mond en neus van de overledene te desinfecteren, maar dat kan ook met de alcohol waarmee je je handen desinfecteerd. Deze is over het algemeen aardig goedkoper en heeft een prima uitwerking. Je bereikt vaak meer door het gebit van de overledene goed te reinigen, dan het gezicht in te sprayen. De mond is een bron van bacteriën.

4 – Je bent nu een dikke 2 jaar zelfstandig, hoe kijk je terug op deze tijd?

Geweldig! Dit kan ik echt uitspreken met stralende ogen. In de afgelopen 2 jaar internationaal kunnen werken, mijn voorlichtingen worden goed bezocht en heb met mijn wagen inmiddels honderden families minder ongelukkig gemaakt. Het mooie is dat ondernemers, justitie en nabestaanden me zien als een neutraal bedrijf zonder belangen.

5 – Er zijn ondernemers die je niet inhuren vanwege je gele auto. Vind je dat erg?

Dat ligt eraan. Als de uitvaart ondernemer dat doet vanuit zijn eigen standpunt, dan vind ik dat niet altijd eerlijk tegenover de nabestaanden. Ga er van uit -dat waar ik kom- er problemen zijn ontstaan tijdens de opbaring. Indien de uitvaartondernemer weet dat ik hun probleem zou kunnen oplossen, maar de nabestaanden dan geen keuze geeft om van mijn expertise gebruik te maken -simpel omdat de ondernemer vindt dat mijn auto te geel of te groot is- dan doe je de nabestaanden te kort. Ga er van uit dat een uitvaartondernemer door de familie in de arm is genomen om mogelijkheden aan te reiken, ook als er complicaties tijdens de opbaring ontstaan. Indien de nabestaanden zelf kiezen om geen gebruik te maken van mijn diensten, dan accepteer ik dat onmiddellijk. Ze hebben dan in elk geval de mogelijkheid gehad om zelf deze keuze te maken.

 

Edwin Spieard

Afgelopen week opnieuw een prima samenwerking met een huisarts en de GGD mogen ervaren. Tijdens een thanatopraxie behandeling kwamen er bij mij twijfels naar boven over een afgegeven natuurlijk overlijden. Door samen te overleggen en door samen te werken, heeft er een tweede schouw plaats gevonden en is van het natuurlijk overlijden een niet- natuurlijk overlijden gemaakt.

Het is een mega fijn gevoel, dat er mensen zijn die zich in zetten voor een overledene, die begrijpen dat door correct handelen een vaak nauwkeurigere doodsoorzaak kan worden vast gesteld. Zoals de huisarts heel mooi verwoorde: Een trein kunnen laten rijden is 1 ding, maar om hem op het juiste station te laten stoppen is vaak een grotere uitdaging.

Blijf scherp, tijdens de schouw, maar ook tijdens het verzorgen van een overledene. Waarschijnlijk is de persoon die de laatste verzorging uitvoert tevens de laatste persoon die kan signaleren wat het lichaam van de overledene ons probeert te vertellen.

Een klinische les van Special Death Care (€25,-) kan –ook voor artsen- handreikingen aangeven voor het herkennen van een natuurlijk of niet natuurlijk overlijden.

Samenwerking GGD

‘Hier linksaf. Ik kijk verbaasd naar links en zie een voetpad richting een woonwijk gaan. Voetgangers gebied. ‘Hé bah’ roep ik hardop. Niet dat ik haast heb, maar soms is het enorm lastig om ergens te komen waar je wilt zijn. Heel even ben ik een beetje nukkig omdat de navigatie me ergens naar toe wil sturen waar ik niet in mag.

Bij de eerste gelegenheid zet ik de wagen aan de kant, pak mijn mobiele telefoon en sla er een tweede navigatie op na. Helemaal in gedachten wordt er plotseling om mijn linker portierruit getikt. Ik schrik me helemaal lam en door de adrenaline kan ik domweg niet het knopje vinden om mijn venster naar beneden te laten zakken.

‘Moment moment’ roep ik tegen de oudere dame. Het raam zakt naar beneden en ik bied mijn verontschuldiging aan voor mijn warrig gedrag. Naast de wagen staat een dame op leeftijd, mooi bosje wit haar, een iets te grote bril en twee leren handschoentjes die je vooral ziet bij oudere dames die nog een auto besturen. In gedachten plaats ik deze dame in een oude Mercedes met automaat uit de jaren 60 of 70.

Omdat het me totaal niet duidelijk is waarom deze dame op mijn ruitje heeft geklopt, vraag ik met een vriendelijke glimlach wat ik voor haar kan betekenen. ‘Ik wil graag dood’ zegt ze met opgewekte stem. Ik schud eens met mijn hoofd, knipper wat met mijn ogen en het enige wat ik er op dat moment uit kan krijgen is niet meer dan het woord ‘pardon’?  Haar vriendelijke blik verandert een heel klein beetje in een serieus gezicht. ‘U heeft mij wel gehoord’ zegt ze.

Een beetje ongemakkelijk weet ik me niet echt een houding te geven. Mijn telefoon leg ik op de rechter stoel, druk mijn rug in de leuning en trek mijn benen zo ver mogelijk richting mijn stoel om zo rechtop mogelijk te gaan zitten. ‘U wilt dood, is dat wat u zei‘? Met een knikkend hoofd geeft ze de bevestiging. Met twee benen naast de fiets loopt ze de fiets iets dichter naar de wagen. Stiekem had ik gehoopt op een verwarde dame die de weg kwijt zou zijn, maar het verhaal kreeg een andere wending dan ik had gedacht.

‘Het staat op uw wagen, speciale dood en ik wil graag dat u mij helpt’. Nog steeds valt er bij mij geen kwartje en ga er vooralsnog van uit dat ze niet meer zo helder is. ‘Maar mevrouw, u ziet er nog geweldig uit, mag ik vragen waarom u mij vraagt te helpen om dood te gaan’?

De fiets komt nog wat dichterbij en heel egoïstisch hoop ik dat ze om de lak van de wagen denkt. Het liefst zou ik even uitstappen om haar te woord te staan, maar haar fiets belemmert me om het protier te kunnen openen en tegelijkertijd zorgt de fiets er voor dat ik niet meer weg kan rijden als ik dat zou willen.

Ze leunt met twee armen over mijn geopende ruit, trekt haar leren handschoenen uit en komt me eigenlijk net iets te dichtbij. De geur van een parfum die ruikt naar goedkope zeep trekt in de cabine. ‘Ik ben gezond, heb geld genoeg, leuke kinderen, maar er is niemand die me wil helpen. Ik ben in de bloei van mijn leven’.

Domweg begrijp ik nog steeds niet waar ze naar toe wil. Met een wijzende vinger naar mijn dashboard kastje vraagt ze of ze een pil van me mag. Heel naïef dacht ik dat ze misschien hoofdpijn had en van mij verwachte dat ik pijnstillers in mijn dashboard kastje zou hebben. ‘De dokter wil me niet helpen, hij zegt dat ik te gezond ben’.

Ineens denk ik het te gaan begrijpen en probeer een manier te vinden om het op een subtiele manier bespreekbaar te maken. De situatie maakt het me ongemakkelijk, aan de kant van de weg met een dame die inmiddels al half in de cabine hangt. En eerlijk is eerlijk, de zeep lucht die penetrant aanwezig is maakt het dat ik me niet echt de tijd gun om een serieus gesprek met haar aan te gaan.

‘Maar waarom wilt u dood. U geeft aan gezond te zijn, prachtige kinderen te hebben en financieel heeft u niets te klagen’. Met opgeheven hoofd kijk ze me strak in de ogen en legt me uit dat dat precies de reden is waarom ze wil vertrekken. ‘Mijn hele leven heb ik al beslissingen moeten maken. Overal mag je een mening over geven, mee denken met de politiek, stemmen op wie het land gaat regeren. Maar over mijn eigen dood mag ik niet beslissen. Dat is toch raar’?

Eigenlijk had ik wel met haar te doen. Ik nam de zeep lucht voor lief en begon serieus met haar te praten. In principe snapte ik haar wel. Ze vertelde dat vele kennissen inmiddels waren overleden, haar vrienden kring werd kleiner en de vrienden die ze nog had waren krakkemikkig of vergeetachtig. ‘Ik zou zo graag willen dat me dit bespaard bleef, het is een geweldige tijd hier op aarde, maar laat me gaan nu ik nog gezond ben en terug kan kijken op een positieve tijd’.

Daar had ze wel een punt. Waarom wachten tot je ziek wordt als je het er zelf over eens bent dat je er nu uit wil stappen. ‘Euthanasie heb ik aangevraagd, maar volgens mijn dokter ben ik te gezond om daar voor in aanmerking te komen. Als ik toch gelukkig ben en nu voor mezelf besluit om er een einde aan te maken, waarom moet dat dan met geweld’?

Een beetje stil en sprakeloos zit ik ongemakkelijk op mijn stoel. ‘Hoe bedoelt u met geweld er een einde aan maken’? ‘Het kan niet anders’ zegt ze met een hoofd die langzaam naar beneden zakt. ‘Ik wordt gedwongen mezelf iets aan te doen, maar ik zou zo graag zonder pijn of verminking willen inslapen. Dat heb ik verdiend na zo veel jaren klaar te staan voor anderen’.

Het dringt helemaal tot me door. Er is er niet 1 kwartje gevallen, maar het regent kwartjes. Ze heeft me geraakt met haar verdriet en haar eerlijkheid. Mijn rechterhand leg ik op haar hand die rust op het openstaande raam. ‘Het spijt me vreselijk, maar ik kan u echt niet helpen. Ik heb geen pillen die u op een humane manier kunnen laten inslapen’.

Zwaar teleurgesteld en verdrietig komt haar hoofd weer omhoog. Haar bril met dunne goudkleurig montuur pakt ze van haar neus en met haar vingers wrijft ze wat door haar waterige ogen. Ze trekt haar hand onder de mijne vandaan, draait haar fiets bij de auto vandaan en stapt zonder iets te zeggen op de fiets om haar weg te vervolgen.

Helemaal geraakt door deze dame, vergeet ik waar ik had moeten zijn. Mijn gedachten zijn bij haar, ik zie haar zitten op een stoel, een jachtgeweer op haar schoot, hangend aan de trap of met haar fiets tegen een vrachtwagen.

Beelden van een overledene blijven me niet echt bij. Tijdens mijn werk probeer ik geen band te krijgen met de overledene. Het zijn vaak de emoties van de nabestaanden die de overledene een identiteit geven, maar ook deze emoties vergeet ik tot nu toe gemakkelijk en snel.

Toch is er wel iets veranderd. Een oude dame met wit haar op een fiets heeft nu een heel andere lading dan voorheen. Een bril met gouden montuur, maar ook een sterk geurende zeep -al dan niet in een automaat- heeft voor mij nu ineens een relatie met de dood. Niet een negatieve gedachte, maar juist een positieve blik op mijzelf, de gedachte dat –ondanks ik altijd met de dood werk – het menselijke nog steeds onder ogen kan zien.

Oma en Special Death Care

Het raast wel eens door mijn hoofd, de duizenden overledenen die ik in mijn loopbaan inmiddels heb mogen verzorgen. Tot op de dag van vandaag doe ik dat met liefde en vol passie. Het maakt voor mij emotioneel niet zo veel uit wat de leeftijd van de overledene is, iedere overledene heeft wel een verhaal en dierbaren die hij of zij achter laat.

Natuurlijk zijn er momenten en overledenen die bepaalde herinneringen in me naar boven laten komen. Gezins drama’s zijn vaak gecompliceerd omdat je in vele gevallen met twee families te maken hebt, kinderen zijn binnen families erg beladen, maar ook een persoon van 80 die meer dan de helft van zijn leven heeft gedeeld met diegene die achter blijft is verre van een leuke bezigheid.

Tot nu toe kan ik goed afstand bewaren tot de persoon die is overleden. Niet dat ik een gevoelloos mens ben, maar ik probeer me niet af te vragen waarom iemand bijvoorbeeld jong is overleden, terwijl de ander boven de 100 mag worden. Nieuwsgierigheid iets wat in een mens zit, dat is voor mij zeker. Onlangs ben ik gevraagd om een lichaam te bergen bij een lijkvinding. Je ziet omstanders op alle mogelijke manieren proberen om er iets van mee te krijgen, misschien proberen ze zo veel mogelijk leed van de ander te zien of de geur van de dood op te snuiven. Verbazingwekkend was een oudere dame met haar hondje en een rollator, ze was zeker de brutaalste tussen alle omstanders. Ze drong zich door de menigte heen en vroeg op grote afstand met luide stem ‘wat is er aan de hand, mag ik weten wat er hier is gebeurd?’

Aan de ene kant vond ik het prachtig, vele nieuwsgierige omstanders en dan 1 oudere dame die gewoon vraagt wat ze wil weten. Stiekem geniet ik daar best van. De agent gaf op een subtiele manier aan dat ze er niks mee nodig had, waarna ze nog langzamer dan dat ze kwam weer vertrok met haar hoofd steeds kijkend in de richting van de kamer waarin we bezig waren.

Bij een zelfdoding wordt de drang om de reden te achterhalen soms nog extra versterkt. Er zijn altijd wel omstanders of hulpverleners die hardop de vraag stellen waarom hij of zij het heeft gedaan. Misschien een beetje te nuchter of zakelijk geef ik standaard het antwoord dat me dat niet bezig houdt. Het maakt me eerlijk gezegd ook niet zo veel uit. Mijn gedachten gaan uit naar de nabestaanden en ben voor mezelf niet echt bezig met de reden van de zelfdoding.

Als bekend is wie het slachtoffer is (identificatie) wordt er over gegaan tot de confrontatie. In sommige gevallen is de familie niet direct te bereiken en is er ruim voldoende tijd om het lichaam confrontatie-klaar te maken. Wassen, verzorgen en het lichaam zo opbaren dat eventuele verwondingen niet direct in het zicht vallen. Hier zit bij mij wel eens een knel punt.

Hoe ver kan en mag ik alvast het lichaam verzorgen, camoufleren of restaureren. Er is immers geen opdracht gegeven vanaf de familie en op dat moment weet ik helemaal niet of de familie het wel op prijs zou stellen dat er al is verzorgd. Misschien hadden ze bij de verzorging aanwezig willen zijn, of verwachten ze bij de confrontatie juist iemand die al volledig is gerestaureerd.

Ondanks dat een reconstructie van 4 uur door Special Death Care nog geen 350,- kost, moet het wel bespreekbaar worden gemaakt. Het zijn  lastige dingen die je open en eerlijk met de familie moet bespreken. Over geld wordt op zo’n moment vaker niet dan wel gesproken, terwijl dat wel een heel belangrijk punt zou kunnen gaan worden. Wie weet heeft de familie geen geld en dan is het toch uiterst vervelend als er ineens een ongevraagde factuur wordt gepresenteerd.

Door mijn jarenlange ervaring en de positieve contacten met de politie, de VOA (Verkeers Ongevallen Analyse), forensische opsporing en slachtofferhulp, weten we meestal op voorhand wel wie de factuur gaat betalen. Bij bijvoorbeeld een verkeersongeval is er wellicht iemand aansprakelijk en zal de verzekering de reconstructie gaan betalen. Hierdoor hoef je dit moeilijke gesprek niet te voeren op een zeer emotioneel moment.

Niet alles is te herstellen, soms missen er simpelweg lichaamsdelen, of is de beschadiging zo groot dat toonbaar opbaren niet meer mogelijk is. Toch hoeft dat niet altijd een probleem te zijn. Luisteren naar de nabestaanden, overleggen en duidelijk communiceren is wat me helpt bij het aanbieden van de mogelijkheden. Een vraag die ik altijd stel aan de nabestaanden, is wat de uiteindelijke ultieme wens is van de mensen die achter blijven. Een lichaam weer tot leven wekken kan ik niet helaas, maar om een thuis opbaring -wel of niet toonbaar- te realiseren lukt in goed overleg eigenlijk altijd wel.

Het hoeft van de familie ook niet altijd toonbaar. Het thuis kunnen hebben van het slachtoffer is vaak voldoende. Met enige regelmaat ‘verdwijnt’ een overledene in de vriezer. Een beetje subtielere ondernemer noemt het een ‘diep koeler’. Het resultaat blijft het zelfde, een bevroren lichaam die -ondanks tegen de soms ultieme wens van de nabestaanden- niet thuis is bij de familie.

Bij de overledene kunnen zijn, het kunnen aanraken en er tegen kunnen praten is voor velen een goede manier om het verlies te verwerken. Het mee denken met families, ondernemers en hulpverleners, ja…. daar zit mijn kracht.

Verminkt en afscheid

1 - Hoe komt u erbij om dit te gaan doen?

Om te beginnen is het niet een vak waarvoor ik echt heb gekozen. Het is iets waar ik ben in gerold. Als kind nooit gedacht dat ik mij zou inzetten om overledenen toonbaar te maken, of te conserveren. De dood, een kerkhof en crematoria hadden wel iets speciaals voor me, maar niet met de gedachte werkzaam te worden in deze branche. Ik opgegroeid met techniek. Brommers, motoren en auto’s repareren zat me in het bloed. Een dikke 19 jaar ben ik werkzaam geweest bij BMW automobielen. Daar kocht een uitvaartondernemer bij ons een gebruikte wagen. Van het een kwam het ander en voordat ik er op verdacht was ruilde ik mijn baan bij BMW in voor een baan in een politie mortuarium. Door te groeien, je kennis te verbreden en vooral door de ervaring die ik in de afgelopen jaren heb opgedaan, heb ik uiteindelijk besloten om met een mobiele unit mijn diensten als ZZP aan te gaan bieden.

2 – Wat is het ergste wat u heeft mee gemaakt?

Tja, wat is erg? Je moet je voorstellen, daar waar ik kom er altijd ellende is. Emotie, verdriet, pech, allemaal situaties waarbij nabestaanden ongelukkig zijn geworden. Iedere overledene is voor mij gelijk. Ze verdienen dat laatste stukje respect, daarbij maakt het voor mij niet uit hoe oud je bent, of waaraan je bent overleden. Ik probeer niet mee te gaan in het verdriet van de nabestaanden, waardoor iets ergs voor mij al snel iets minder erg lijkt te zijn. Hiermee bedoel ik niet mee dat ik het verdriet van de nabestaanden niet begrijp, maar het is een manier om sterk te zijn richting de nabestaanden. Ze zien me op dat moment als hulp en steun en wil er graag voor ze zijn.

3 – Neemt u wel eens stagiaires mee?

Stagiaire vind ik een groot woord. Als er iemand met mij mee gaat, dan noem ik dat mijn assistent. Echter is een overledene geen object, het is ook geen lichaam die zich ter beschikking heeft gesteld om iets op uit te proberen. Het is een lichaam die complicaties heeft tijdens een opbaring en daar dien ik met respect mee om te gaan. Kijkers heb ik niet zo veel mee. Maar als zich een situatie voordoet, waarbij bijvoorbeeld de verpleegkundige nog aanwezig is na het overlijden, dan mag van mij -uitsluitend met toestemming van de familie- iemand op eigen verantwoordelijkheid mee kijken.

4 – Slaapt u ’s nachts nog wel goed door alles wat u mee maakt?

Tot nu toe neem ik ze niet ‘mee naar bed’. Gezichten onthouden is voor mij al een lastig iets, het heeft als voordeel dat ik de overledenen niet ga onthouden. Maar ik ben me goed bewust van het gevaar. Rondom mij heen zijn er toch wel een aantal collega’s gestopt met het werk door PTSS (posttraumatische-stressstoornis). Mocht het zo zijn dat iemand in mijn omgeving ziet dat mijn gedrag zodanig verandert dat PTSS op de loer ligt, dan hoop ik dat ze dat tegen mij zullen zeggen. Maar kort samen gevat: Ja, ik slaap prima.

5 – Mislukt er wel eens iets?

Ja hoor. Ik ben geen wondermens en kan echt niet alles. We grijpen in in een stukje natuur en soms heeft de natuur andere dingen in gedachten dan dat wij zouden willen. Vooral als er onweer op de loer ligt, zal door onder andere de luchtdruk en lucht vochtigheid het tijdelijk conserveren van een lichaam worden bemoeilijkt. Ook een reconstructie slaagt niet altijd. Soms is de beschadiging te groot, of mist er simpelweg te veel om nog tot een reconstructie over te kunnen gaan.

6 – Waarom heeft u gekozen voor een gele bus?

Haha, meestal komt deze vraag als eerste. Die gele bus is geel omdat ik dat wil. Niet meer en niet minder. Mensen die me inhuren mogen me inhuren om wat ik met mijn handen kan. Die gele bus is volledig uitgerust met de materialen waarmee ik probeer een zo goed mogelijk resultaat te bewerkstelligen. Ook als de bus blauw of zwart zou zijn, dan verandert dat niks aan wat ik met mijn handen kan. Geel is mijn lievelings kleur en ik gun mezelf al jaren een gele auto.

7 – Had de tekst Special Death Care niet iets subtieler gekund?

Dat had gekund. Waar denk je dan zelf aan? After life service ofzow? Nee, die tekst Special Death Care omvat exact wat ik doe, specialistische overledenen verzorging. Om te voorkomen dat ik als hulpverlener wordt gezien, is overeen gekomen om aan de buitenzijde zichtbaar te hebben dat ik met overledenen werk. Vandaar de tekst op de wagen. Zelf ben ik als vrijwilliger werkzaam bij het Duitse Death Care. Een humanitaire hulporganisatie die wereldwijd gratis hulp biedt bij grote rampen met vele dodelijke slachtoffers. Omdat de wagen internationaal ingezet wordt, heb ik gekozen om als bedrijfsnaam Special Death Care te gaan voeren. En inderdaad, ook op de gele mobiele unit ;)

8 – Groeien nagels en haren door bij een overledene?

Die vraag kan ik beantwoorden met nee. Nagels en haren groeien niet door bij een overledene. Door onder andere koeling en indroging, trekt de huid zich terug. Daardoor lijkt het alsof nagels en haren langer zijn geworden. Als je de kans krijgt om eens bij een overledene te kijken op bijvoorbeeld de vijfde dag na het overlijden, dan kun je goed zien dat vingers smaller lijken door de indroging, met als gevolg dat de nagels langer lijken.

9 – Heeft u het wel eens mee gemaakt dat iemand niet echt dood was?

Bijna… Ik ben eens opgeroepen om een overledene te verzorgen, maar bij aankomst lag de patiënt weer met aangesloten infuus op de afdeling. Tot grote schrik van de verpleegster was de patiënt weer gaan ademen tijdens het recht leggen van de -toen doodverklaarde- man. Waarschijnlijk was deze niet echt overleden, maar heeft de arts niet een volledige schouw verricht waardoor deze bizarre situatie was ontstaan.

10 – Hoe komt het dat een overledene soms groen en dik wordt?

Ik zou haast een wedervraag kunnen stellen. Hoe weet jij dat een overledene soms groen gaat worden?  Groene overledenen zijn niet de leukste. Groene verkleuring betekent ontbinding, een achteruitgang van het lichaam die niet meer is om te keren. Het dik worden, vaak tegelijk met groen worden, komt door gas vormende bacteriën. Deze bacteriën vermenigvuldigen zich razendsnel, soms zo snel dat een overledene binnen 2 uur tijd onherkenbaar kan worden. Dat is precies waarom ik een overledene nooit zonder handschoenen aan zal raken. Respect voor bacteriën, absoluut.

10 vragen aan Edwin Spieard

Voorheen volgende ik dagelijks het nieuws, fietsend door het bos en gefocust op slachtoffers die zijn gevallen tijdens een ongeluk of gezinsdrama. Niet dat het ongeluk me nou zo boeit, maar het waren de dodelijke slachtoffers die me telkens bezig hielden. Je kent het wel, een radio bericht waarbij een melding wordt gemaakt van een auto die van het talud is geraakt, of een vader die het hele gezin heeft omgebracht.

Ik ben er vanaf gestapt. Niet van mijn fiets, maar van het luisteren naar het nieuws. Ik merkte dat het veelal ellende is wat er in de nieuwsberichten wordt gebracht. Je hoort weinig over een fluitende vogel die het voorjaar in gaat luiden, maar telkens iets met een drama, ellende of verdriet.

Het is ook niet dat ik een struisvogel ben met mijn kop in het zand, maar ik wilde gewoon meer afstand tot de ellende en meer focussen op de mogelijkheden om leed bij nabestaanden te verzachten. Het zou geen strijd moeten zijn wie er een lichaam gaat reconstrueren nadat deze er door omstandigheden schokkend uit ziet. Het gaat er meer om of het bekend is bij de hulpverleners dat er mensen zijn in het land die deze taak op zich kunnen nemen. Mensen met ervaring en kwaliteit.

Gelukkig zijn er vele collega/ vrienden werkzaam binnen de justitie, die verder willen kijken dan alleen de ellende. Ook kunnen kijken naar het verzachten van de ellende is voor velen onder hun een taak die ze uit hun menselijk gevoel op zich nemen. Soms uit emotie, soms uit verdriet, maar met een doel die uiteindelijk dat vervelende nieuws bericht iets minder schokkend kan laten overbrengen aan de nabestaanden.

Eén van die collega’s weet me met regelmaat te vinden. We zitten op 1 lijn, kennen elkaar goed en zijn ons goed bewust van de situaties waarbij een reconstructie absoluut meerwaarde zou kunnen bieden. Het fijne aan deze samenwerking is voor mij het feit dat we het belang, de kosten en de meerwaarde serieus overwegen. Altijd op zoek naar het beste voor de nabestaanden en het slachtoffer.

Misschien zijn er mensen die nu hun wenkbrauwen iets omhoog trekken. Het beste voor het slachtoffer? Ja, inderdaad, het beste voor het slachtoffer! Piëteitsvol en met respect een onderzoek in gaan, ook als iemand overleden is gaat dat nog prima samen.

Als uit het niets mijn collega belt, dan weet ik dat het serieus is. Daar heb je geen radio bericht voor nodig. Heel kort een belangstellend gesprek, die daarna snel over gaat in het zakelijke deel. ‘Edwin, hoe zit je in je tijd vanavond’? Een vraag die was te verwachten. ‘Ah, je belt niet om snert met me te eten begrijp ik’. Een grinnikende mannenstem geeft me aan dat hem dat wel lekker lijkt, maar dat we dat echt een andere keer moeten doen.

Op de achtergrond hoor ik een hoop stemmen. ‘Vriend’ zeg ik tegen hem, ‘waar wil je me hebben’? Zonder verder over de telefoon informatie te verstrekken, geeft hij me het ziekenhuis door waar het slachtoffer zich bevind. Snel rits ik wat lekkers uit de kast en vertrek om zo spoedig mogelijk bij het betreffende ziekenhuis aan te komen.

Een dikke twee uur later druk ik op de bel bij het bordje ‘mortuarium’. Als de deur open gaat, staat daar een grote forse man met op zijn shirt de letters ‘Forensische Opsporing’. Ik bekijk hem van onder tot boven met een stralende glimlach op mijn gezicht en fluister tegen mezelf  ‘Jee wat ben jij toch een grote beer’.

Voordat ik binnenkom krijg ik een warm welkom, een hand, klop op de schouder en een zeer vriendelijke lach. ‘Wat fijn om je hier te zien, man man man, wat hebben wij mooie dingen gerealiseerd samen’. Met een grote glimlach bevestig ik zijn opmerking. ‘Kom binnen, dan praat ik je bij’. Terwijl de grote metalen deur met een bonkend geluid achter me dicht klapt, tref ik nog snel een ex collega in de hal. Vriendelijk en blij verrast staat ze me kort te woord. ‘Ik ben zo blij dat ze jou hebben gevraagd, nu komt het vast goed’ fluistert ze in mijn oor.

We nemen plaats in een ruimte met vier stoelen. Sensoren in je lichaam zorgen er voor dat je zakelijke kant volledig op scherp staat. Aandachtig luisteren, de situatie en het belang proberen te begrijpen. ‘Het is een trieste zaak’ zegt hij met een serieus gezicht. ‘We hebben tijdens een onderzoek naar een woningbrand een jong slachtoffertje gevonden. Het onderzoek bij het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) is zojuist afgerond en het slachtoffertje komt onze kant op om gereconstrueerd te worden’.

Beelden van verbrande lichamen komen bij me op. Ik zie verschillende verminkingen voorbij razen over mijn netvlies. Lastige, maar ook niet te reconstrueren lichamen komen bij me naar boven. Bijna altijd zijn ze –door de vlammen- kaal en zijn de wenkbrauwen en wimpers verdwenen. Bij extreme hitte zijn er slachtoffers met een niet te sluiten open mond. Stiekem hoop ik dat het allemaal mee zou vallen en de verminking in het gezicht minimaal zou zijn.

Voordat we uitgepraat zijn klinkt er een gong door het mortuarium. Mijn ex collega geeft aan dat de vervoerder met het slachtoffertje is gearriveerd. Twee agenten begeleiden de brancard naar de ruimte waarin we de reconstructie gaan uitvoeren. We laten de brancard passeren, doen gepast een stap achteruit om ruimte te creëren. Tijdens het passeren komt er voor mij een herkenbare geur voorbij, een geur die me de beelden van de verbrande slachtoffers nogmaals laat passeren.  

Op het moment van binnenkomst heerst er een stilte in het mortuarium. Eigenlijk is het enige geluid wat je hoort het blazen van het ventilatie systeem. Iedereen is gespannen en kijkt met een ernstige blik tijdens het overtillen van het jonge lichaam. Eén van de twee agenten draait haar hoofd weg, loopt wat stappen achteruit en bijt op haar lippen. Op dit moment doe ik twee stappen naar voren en pak haar bij de arm. ‘Kom, gaan we even ergens zitten samen’. Ik geef haar een tissue en zonder verder iets te zeggen loopt ze met me mee. Altijd een lastig moment als er jonge slachtoffers zijn te betreuren, het onbegrip, het ongeloof en vooral  het verdriet neemt soms je emotie over.

Terug in de ruimte waarin het slachtoffertje zich bevind, buigen mijn Forensische collega en ik ons samen over het lichaam. Als een geoliede machine observeren we het lichaam van tenen tot het hoofd, achterzijde, voorzijde, vertellend aan elkaar wat we denken, zien en voelen. Als het slachtoffertje weer plat op de rug ligt, staan we beide met een gestrekte rug naast het lichaam. Hij links, ik rechts. We kijken elkaar diep in de ogen, de serieuze blik ontspant iets en bijna beide tegelijk knikken we –terwijl we onze ogen heel even sluiten- een bevestigende ‘ja’.

We weten van elkaar wat dat betekend, een knikkende ‘ja’ is dat we er voor gaan en mogelijkheden zien om anderen de gelegenheid te geven om afscheid te nemen in een open kist. Eigenlijk is het onbeschrijfbaar wat een knikkende ‘ja’ in houdt. Het geeft je een opgelucht gevoel, een gevoel die neigt naar lachen, een gevoel die neigt naar het geven van een handdruk of een knuffel.

Toen ik een aantal weken later op het politiebureau kwam om samen een kop koffie te doen, trof ik daar die enorme grote beer. De letters Forensische Opsporing nog pronkend op zijn shirt. Een beetje gekscherend wijs ik naar mijn eigen logo en lees hem de tekst ‘Special Death Care’ hardop voor. ‘We hebben het geflikt’, dat was wat hij zei terwijl we elkaar vriendschappelijk in de armen vlogen. ‘De ouders en de hele school heeft afscheid kunnen nemen van het slachtoffertje. Een open kist’!

Zonder dat ik er controle over heb, krijg ik weer even dat knikkende ‘ja’ gevoel. De film komt weer heel even voorbij, de stilte, de geur, de tissue, maar zeker twee mannen met gestrekte rug naast een lichaam. Twee mannen die beide inzien welke meerwaarde een reconstructie soms kan hebben.

Het is voor mij een bewuste keuze geweest om de verwondingen niet met jullie te delen. De ouders hoeven niet met details geconfronteerd te worden bij het lezen van dit artikel. De reden van het plaatsen van dit bericht, is het verzoek van de ouders om onder de aandacht te brengen, dat de goede samenwerking tussen de Forensische Opsporing en Special Death Care een hele positieve uitwerking heeft gehad op hun rouw verwerking.

Namens de ouders en de school ontvingen we een warm en oprecht ‘Dankjewel’

Samenwerking Forensische Opsporing