Print

Mijn meldingen lopen in een week best uiteen en ik rijd gemiddeld op een werkdag tussen de 300 en 500 kilometer. Voorspelbaar is mijn vak nooit, maar het over grote deel van mijn werkzaamheden bestaat toch wel uit het verhelpen van lekkages bij de overledene. Lekkages van bloed en maaginhoud die zich van binnenuit een weg naar buiten probeert te banen en die buiten de lekkage om een vervelend beeld voor de nabestaanden op hun netvlies achterlaten. Iemand die wat langer in het vak zit, die zal buiten het visuele aspect ook de lekkage herkennen aan de geur, een zure geur vanuit de maag, of de geur van het ijzer in het bloed. Als ik met een heerlijke appelbeignet aan de vers gezette koffie zit te kletsen, dan verlicht het schermpje van mijn telefoon de nog donkere keuken. Eigenlijk was het voor mij nog geen tijd om aan het werk te gaan en doorgaans neem ik de telefoon pas aan als de kleine wijzer van de klok de negen heeft gepasseerd. ‘Goedemorgen, Special Death Care, u spreekt met Edwin.’ Ik krijg maar amper tijd om deze zin uit te spreken. ‘Hee vriend, goedemorgen, ben je al wakker? Ik zou graag van je diensten gebruik willen maken deze ochtend. Het betreft een jonge dame die door zelfdoding om het leven is gekomen en het ziet er allemaal niet zo florissant meer uit. Volgens de ouders van het meisje is ze dusdanig beschadigd, dat afscheid nemen met een open kist onmogelijk wordt geacht. Volgens de politie is het hun zelfs afgeraden om nog een kijkje te nemen.’ In deze situaties komen er direct vele vragen bij me naar boven. Een – voor mij - hele belangrijke vraag is, waar het slachtoffer zich op dit moment bevindt. Ligt ze al thuis, ligt ze in een politie mortuarium, of is ze al ondergebracht in een uitvaartcentrum. Je kunt je voorstellen dat werken op een huisadres niet altijd even gemakkelijk is, echter heeft het ook wel wat. Voor de ouders is werken in een vertrouwde omgeving toch anders – en soms zelfs aangenamer - dan afwachten in een mortuarium. Daarbij kun je tijdens de opbaring direct wat meer rekening houden en inspelen op de situatie en de plaats waar het slachtoffer wordt opgebaard. Denk hierbij aan huisdieren die nog afscheid willen nemen, lichtinval van de woning die de kleur van de make-up zullen beïnvloeden, of aan de temperatuur van de ruimte waarin de overledene zich gaat bevinden. Nadat ik op de meest gestelde vragen een antwoord heb kunnen krijgen, besluit ik zo spoedig mogelijk af te reizen richting het meisje. De ouders zullen me daar thuis opvangen en daar zal ik voor hun bekijken welke opties ik ze kan bieden om nog een waardig afscheid te realiseren. Mijn vriendin ziet aan mijn ogen dat ik eigenlijk wil vertrekken en maakt een extra kop koffie die ik mee kan nemen in de wagen. ‘Moet je weg schat, kan ik nog iets voor je doen?’ Maar ze kent me, het enige wat ik wil is rijden, rijden en zo snel mogelijk kijken wat ik voor deze ouders kan betekenen. Net voordat ik vertrek hoor ik een stemmetje in mijn hoofd, een stemmetje die zegt dat je nooit moet vertrekken zonder tegen diegene die achterblijft te zeggen wat je voor deze persoon voelt. Ik geef een kus op haar voorhoofd en zeg tegen haar dat ik van haar hou. De beker koffie mee in mijn hand, autopapieren, de telefoon en natuurlijk zakgeld voor een broodje onderweg. Niet gestrests, maar wel met lichtelijke spanning stuur ik de grote gele wagen richting het huisadres op ongeveer 150 kilometer afstand van mijn woning. Als ik begin te rijden dan zijn de eerste kilometers meestal zonder muziek. Ik bedenk dan alvast wat ik aan zou kunnen treffen en hoe ik daar mee om zal gaan. Daarna komt er een traject waarbij ik met muziek in de wagen mijn traject vervolg. Hoe dichter ik het eindpunt nader, hoe stiller ik het wil hebben. De radio gaat uit, maar mijn linker zijruit gaat wat open. Het geeft me het gevoel dat ik me beter kan concentreren als ik de buitenwereld om me heen kan horen, waarschijnlijk flauwekul om dit te denken, maar het voelt fijn en het geeft me rust. Ik zou het heel vervelend vinden als de nabestaanden de drukte in mijn hoofd zouden ervaren en daarom probeer ik zo rustig mogelijk op ze over te komen. Een wervelwind in mijn hoofd heeft de familie niks aan, ze willen hulp en gehoord worden, dat is iets wat ik in al mijn jaren wel heb geleerd. Een luisterend oor doet soms meer dan een gehele lichaamsreconstructie. Nog 400 meter dan zal ik mijn bestemming bereiken. Mijn hartslag gaat omhoog, het zijraampje nog iets verder open en laat het gas los om het geluid van de wagen iets te reduceren. In de straat is een hoop 'gedoe', niet negatief bedoeld, maar het valt me op dat juist in deze straat buurtbewoners meer in de tuin aan het werk zijn dan in de omliggende straten. Gelukkig is er voldoende ruimte om de wagen te parkeren en parkeer de wagen zo dat het zicht vanaf de straat en richting de woonkamer iets wordt beperkt. Niet iedereen hoeft te zien wat er zich in de woning gaat afspelen, want dat er een hoop emotie bij komt kijken hoef ik je niet uit te leggen waarschijnlijk. Ik loop via het tegelpadje naar de voordeur van de woning en door gebrek aan een deurbel tik ik voorzichtig op het grote raam van de woonkamer. Seconden lijken minuten en mijn hart klopt sneller dan dat ik gewend ben. Het tikken op het raam heeft er niet voor gezorgd dat iemand de deur open gaat doen en omdat ik toch graag naar binnen wil besluit ik om rondom de woning heen te lopen. Als ik de schuttingdeur open, zit er een man en een vrouw op een bankje in de tuin. Niet naast elkaar, maar ieders op een hoek waardoor er een grote afstand tussen deze twee personen is ontstaan. Beiden zitten ze in de zon, maar in dit geval weet ik dat zittend in de zon er voor hun een donkere schaduw zal zijn. Heel even twijfel ik of ik wel op het juiste adres ben, maar aan de gezichten van beiden is de emotie af te lezen en verdwijnt mijn twijfel per direct en spring ik automatisch op de stand om deze mensen te gaan helpen. Het hoeft niet een mooi verpakt welkom te zijn en een hand geven (aanraking) is op deze momenten niet altijd gewenst. ‘Ik kom jullie helpen', de woorden waarmee ik meestal mijn gesprek start. ‘Mag ik van jullie weten wat jullie relatie is tot het meisje?’  De dame neemt het woord en vertelt me dat ze de ouders van het meisje zijn. Direct nadat ze het me heeft verteld barst ze in tranen uit. Ik kijk naar de vader, hij zit statig rechtop met ogen die – als het zou kunnen - dwars door de schutting heen kijken. Ik voel nu al dat dit een hele lastige gaat worden. Als de ouders onbereikbaar lijken, dan moet ik proberen hier doorheen te breken en toch daar te komen waar ik wil zijn. ‘Is ze bij jullie thuis en vinden jullie het goed als ik even bij haar ga kijken?’  De vader blijft onbereikbaar en ik vraag me zelfs af of hij me wel hoort praten. Ik loop wat dichter naar hem toe en ga op mijn knieën voor hem zitten. Mijn grote hand leg ik op zijn knie en knijp er zachtjes in terwijl ik tevens wat aan zijn been schud. Door deze actie lijkt hij ‘wakker’ te schudden en verontschuldigt zich met waterige ogen voor zijn afwezigheid. Moeders gaat staan en wijst me de weg, maar geeft direct aan dat ze absoluut niet mee naar binnen wil. ‘Onze dochter staat in de woonkamer, sorry voor de rommel, ik had nog willen stofzuigen en de afwas willen doen, maar ik durf niet in de woning.’  Dat wat ze zegt hoor je vaker, een verontschuldiging die niks te maken heeft met de overledene, maar die ze wel denken te moeten uitspreken uit schaamte ofzo. Ik laat beide ouders alleen en ga op zoek naar het meisje. Op het aanrecht staan hooguit twee kopjes en rommel is nergens te vinden, wat betreft de chaos viel het allemaal enorm mee. In de woonkamer staat een kist, geen bijzonder kist, maar een standaard kist met gesloten deksel. Opnieuw gaat mijn hartslag iets omhoog, want ik ben erg benieuwd wat ik bij het openen van deze kist ga aantreffen en hoop zo van harte dat ik deze ouders iets ‘terug’ kan geven waardoor het hun verdriet zal verzachten. Ik grabbel wat in mijn broekzak en haal er twee handschoenen uit tevoorschijn. Beetje rondkijkend in de kamer begin ik met het losdraaien van de knoppen waarmee deze kist gesloten is. ‘Ja, daar ga ik de deksel neer zetten' en til de deksel uiterst voorzichtig van de kist. Nadat ik de kist heb geopend werd het me direct wel duidelijk, hier was voor mij niet veel meer haalbaar. Ik merk bij mezelf de teleurstelling en in dit geval is er geen high-five aan het eind, maar zal ik vertrekken met een zwaar en teleurstellend gevoel. Ingewikkeld omdat ik zó ontzettend graag iets geef waardoor het verdriet – al dan niet tijdelijk – iets naar de achtergrond verdwijnt, maar bij dit meisje heb ik op dit moment geen idee hoe ik dat moet bewerkstelligen. Ik sluit opnieuw de kist en zonder de knoppen aan te draaien en met best wel zware benen loop ik terug naar de ouders. Ik haal diep adem en met mijn ingeademde lucht zal ik de woorden uitspreken die me zwaar gaan vallen en voor de ouders absoluut niet zijn wat ze hopen te horen. De ouders zitten nog op dezelfde plek en ik ga tussen ze in staan. ‘Het spijt me', dat waren de woorden die ik met waterige ogen tegen ze zei. ‘Ik kan veel, heel veel, maar ook ik heb mijn grens. Ik zie technisch geen mogelijkheden waardoor ik uw dochter aan u kan laten zien, tenminste niet op de manier zoals u heeft aangegeven.’  En dan gebeurt het waar ik al zo bang voor was. Moeders begint te krijsen, gillen, grommen, slaan, alles wat lijkt op een wild beest showt ze me in deze tuin. En vader? Vader zit nog steeds op het hoekje van de bank, ook zijn reactie beangstigt me omdat ik niet weet wat er straks staat te gebeuren. Ik loop naar de moeder toe en sluit haar in mijn armen, ‘sssssttt sssstttt ssssstttt, kijk me eens aan, ik kan technisch niet veel meer, maar ik heb niet gezegd dat ze niet bij jullie kan blijven, ze is hier nog gewoon in de woonkamer en daar hoeft ze wat mij betreft helemaal niet weg.’ Voordat je door kunt dringen bij iemand die zo van de kaart is gaan er minuten voorbij, minuten die uren lijken te zijn en op deze momenten hoop je dat vader het gedrag van deze moeder niet zal kopiëren. ‘Ik wil het niet, ik wil het niet, mijn kleine meid zo helemaal alleen, waarom waarom waarom?’ Ze stelt me vragen waar ik geen antwoord op heb, maar ze geeft me hiermee wel een idee waar ik iets mee zou kunnen. ‘Heeft u iets wat haar erg dierbaar was, iets wat we haar mee kunnen geven en waarbij u het gevoel heeft dat ze niet alleen is? U kunt vast wel iets vinden en als u het op prijs stelt, dan lopen we samen even naar binnen om iets uit te zoeken.’ Vol twijfel, maar erg dapper betreedt ze samen met mij het huis waarin haar verminkte dochter ligt. Vader blijft onveranderd op het bankje zitten en schijnt het allemaal nog niet te bevatten. Wat ga ik doen, laat ik vader hier alleen achter, of moet ik moeders alleen het huis laten betreden? Maar moeders laat me niet veel keus en loopt al richting de keuken nog voordat ik voor mezelf een keuze heb kunnen maken.  Zonder een blik in de kamer te werpen loopt ze via de trap naar de kamer die voorheen waarschijnlijk de slaapkamer van het meisje is geweest. Ze heeft niet veel tijd nodig en nog voordat ik er erg in heb in heb komt moeders aanlopen met een grote knuffelbeer, ‘dit is de beer waarmee ze altijd lag te slapen, vindt u het goed als we deze dan bij haar in de kist gaan doen?’ Spontaan verschijnt er een glimlach op mijn gezicht. ‘Mevrouw, geef mij nog 15 minuten, dan kan ik waarschijnlijk nog iets realiseren waardoor u zich iets minder ongelukkig gaat voelen.’  Samen met de beer ga ik naar het meisje, leg deze in haar verminkte armen, maar op een manier waarop haar (nagenoeg ongeschonden) hand de beer stevig vast heeft. Ik schiet wat foto's en bewerk deze tegelijkertijd met wat trucjes. Wazig filter, sepia kleurinstelling en bijsnijden totdat er uiteindelijk een prachtige foto ontstaat.  Voordat ik met deze foto richting de ouders loop, kijk ik nog even goed in de kist of ik niks over het hoofd heb gezien waardoor er toch een fysiek afscheid mogelijk zou zijn. Wellicht is er iets creatiefs te bedenken, maar mag niet vergeten wat de ouders me bij binnenkomst hebben gezegd. Heel duidelijk hebben ze aangegeven niks van de verminking te willen zien. Dat respecteer ik en wil daar uiterst zorgvuldig mee omgaan.  Als ik via de keuken naar de ouders toeloop, hebben ze elkaar stevig vast. De ruimte die een uur geleden nog tussen deze twee mensen aanwezig was, die ruimte is volledig verdwenen. Een beeld als deze geeft me rust, het laat zien dat ze er op dit moeilijke moment toch voor elkaar kunnen zijn. ‘Ik ben een beetje creatief geweest, maar denk jullie toch iets te kunnen geven wat de pijn wellicht iets kan verzachten. Misschien een beetje stout, maar ik heb er een foto van gemaakt en deze zou ik dolgraag aan jullie willen laten zien.’  Beiden zeggen ze niks en de enige reactie die ik aan ze merk is dat ze elkaar nog iets steviger vastpakken. Zonder elkaar aan te kijken zegt de vader dat hij het toch wel graag wil zien. ‘Je belooft mij dat ik niks, maar dan ook niks zie van de verminking?’ Ik zie aan de blik waarmee hij dit richting mij uitspreekt twee dingen, de eerste is de wens om iets van zijn dochter te zien, de andere blik is dreigend om mij duidelijk te maken dat ik hem niet confronteer met een beeld waar hij in de nacht wakker van zou kunnen worden. Prachtig is misschien een verkeerd woord in deze situatie, maar ondanks het verdriet bracht deze foto tranen van geluk. Het voelt super goed om families minder ongelukkig te kunnen maken. Meer ware gebeurtenissen staan in mijn eerste boek 'Alijd werken in emotie'

Boeken Edwin Spieard